Wat is het?
Franse onderwerpsvoornaamwoorden geven aan wie of wat de handeling van een werkwoord uitvoert.
De belangrijkste Franse onderwerpsvoornaamwoorden zijn:
| Frans | Nederlands |
|---|---|
| je | ik |
| tu | jij, informeel enkelvoud |
| il | hij of het |
| elle | zij of het |
| on | men, wij, mensen |
| nous | wij |
| vous | u, formeel enkelvoud of meervoud |
| ils | zij, mannelijke of gemengde groep |
| elles | zij, vrouwelijke groep |
Een onderwerpsvoornaamwoord staat meestal vóór het werkwoord.
Wanneer gebruiken
Gebruik een onderwerpsvoornaamwoord om de persoon of het ding aan te geven dat de handeling uitvoert.
- Gebruik je om over jezelf te praten.
- Gebruik tu om informeel tegen één persoon te spreken.
- Gebruik il voor een mannelijke persoon of een mannelijk zelfstandig naamwoord.
- Gebruik elle voor een vrouwelijke persoon of een vrouwelijk zelfstandig naamwoord.
- Gebruik on voor mensen in het algemeen of als een informele manier om wij te zeggen.
- Gebruik nous om wij te zeggen, vooral in formele of geschreven Franse taal.
- Gebruik vous om formeel tegen één persoon te spreken of tegen meerdere mensen.
- Gebruik ils voor meerdere mannelijke personen of een gemengde groep.
- Gebruik elles voor een groep die alleen uit vrouwelijke personen bestaat.
Structuur
De basisstructuur is:
Onderwerpsvoornaamwoord + vervoegd werkwoord + overige informatie
| Onderwerpsvoornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| je | Je travaille. |
| tu | Tu habites ici. |
| il | Il parle français. |
| elle | Elle aime le café. |
| on | On mange ensemble. |
| nous | Nous étudions. |
| vous | Vous arrivez demain. |
| ils | Ils jouent au football. |
| elles | Elles travaillent ensemble. |
Vóór een klinkerklank of een stomme h wordt je j'.
- J'aime ce livre.
- J'habite à Paris.
Franse werkwoorden veranderen van vorm afhankelijk van het onderwerpsvoornaamwoord.
- Je parle.
- Tu parles.
- Nous parlons.
- Vous parlez.
Voorbeelden
- Je travaille à la maison.
- Tu regardes un film.
- Il habite à Lyon.
- Elle parle anglais.
- On va au restaurant.
- Nous apprenons le français.
- Vous êtes très gentil.
- Vous avez deux enfants.
- Ils jouent dans le jardin.
- Elles arrivent à huit heures.
Uitzonderingen
Het voornaamwoord on gebruikt dezelfde werkwoordsvorm als il en elle, zelfs als het wij betekent.
- On est prêts.
- On va au cinéma.
Het voornaamwoord ils wordt gebruikt voor een gemengde groep die zowel mannelijke als vrouwelijke personen bevat.
- Paul et Marie arrivent. Ils sont ici.
Het voornaamwoord elles wordt alleen gebruikt wanneer elke persoon of elk zelfstandig naamwoord in de groep vrouwelijk is.
In gebiedende wijs wordt het onderwerpsvoornaamwoord meestal weggelaten.
- Parle plus lentement.
- Écoutez attentivement.
Veelvoorkomende fouten
-
Onjuist: Je aime le café. Juist: J'aime le café. Uitleg: Je wordt j' vóór een klinkerklank.
-
Onjuist: Marie est ici. Il travaille avec moi. Juist: Marie est ici. Elle travaille avec moi. Uitleg: Gebruik elle voor een vrouwelijke persoon.
-
Onjuist: Paul et Marie sont ici. Elles sont prêtes. Juist: Paul et Marie sont ici. Ils sont prêts. Uitleg: Gebruik ils voor een gemengde groep.
-
Onjuist: Tu êtes mon professeur. Juist: Vous êtes mon professeur. Uitleg: Gebruik vous wanneer je formeel tegen één persoon spreekt.
-
Onjuist: Vous es très gentil. Juist: Vous êtes très gentil. Uitleg: Het werkwoord moet overeenkomen met het onderwerpsvoornaamwoord vous.
-
Onjuist: On sommes à la maison. Juist: On est à la maison. Uitleg: On gebruikt dezelfde werkwoordsvorm als il en elle.
-
Onjuist: Nous parle français. Juist: Nous parlons français. Uitleg: De werkwoordsvorm moet overeenkomen met nous.